19 Froen
1. Naar welke voorstelling hebben jullie gekeken?
* noutwendeg
wielt nëmmen eppes aus
2. Op welke datum en tijd was de voorstelling?
* noutwendeg
Op welke datum en tijd was de voorstelling?
3. Wat was de leeftijd van de jongeren die aanwezig waren?
* noutwendeg
Wat was de leeftijd van de jongeren die aanwezig waren?
4. Hoe beoordeel je de inhoud van de voorstelling?
* noutwendeg
Hoe beoordeel je de inhoud van de voorstelling?
wielt nëmmen eppes aus
Boeiend en interessant
wielt nëmmen eppes aus
Voldoende uitgewerkt
wielt nëmmen eppes aus
Inhoudelijke samenhang
wielt nëmmen eppes aus
Op niveau van de leerlingen
Hoe beoordeel je de inhoud van de voorstelling?
wielt nëmmen eppes aus
Boeiend en interessant
wielt nëmmen eppes aus
Voldoende uitgewerkt
wielt nëmmen eppes aus
Inhoudelijke samenhang
wielt nëmmen eppes aus
Op niveau van de leerlingen
5. Hoe beoordeel je de uitvoering van de voorstelling?
* noutwendeg
Hoe beoordeel je de uitvoering van de voorstelling?
wielt nëmmen eppes aus
Spel
wielt nëmmen eppes aus
Muziek
wielt nëmmen eppes aus
Beweging/choreografie
wielt nëmmen eppes aus
Decor en belichting
Hoe beoordeel je de uitvoering van de voorstelling?
wielt nëmmen eppes aus
Spel
wielt nëmmen eppes aus
Muziek
wielt nëmmen eppes aus
Beweging/choreografie
wielt nëmmen eppes aus
Decor en belichting
6. Wat waardeerden de leerlingen het meest aan de voorstelling?
Was dit het verhaal, de muziek, het decor, de acteurs, of iets anders dat hun waardering kreeg? Wat vonden ze echt goed of bijzonder aan de voorstelling?
Wat waardeerden de leerlingen het meest aan de voorstelling?
7. Wat vonden de leerlingen minder goed aan de voorstelling?
Was er iets waar de leerlingen minder enthousiast over waren? Wat hadden ze graag anders gezien of ervaren?
Wat vonden de leerlingen minder goed aan de voorstelling?
8. Wat blijft de leerlingen vooral bij van de voorstelling?
Als de leerlingen nu terugdenken aan de voorstelling, wat komt dan het eerst in hen op? Wat maakte de meeste indruk op hen?
Wat blijft de leerlingen vooral bij van de voorstelling?
9. Hoe zou jij de voorstelling zelf beoordelen?
Hoe zou jij de voorstelling zelf beoordelen?
10. Hoe goed sluiten de volgende stellingen aan bij de voorstelling?
* noutwendeg
Hoe goed sluiten de volgende stellingen aan bij de voorstelling?
wielt nëmmen eppes aus
Het was een prettige theaterbelevenis
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling was emotioneel verrijkend
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling stimuleerde belangstelling voor kunst
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling bood mogelijkheden tot discussie
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling stimuleerde fantasie en creativiteit
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling stimuleerde kritisch denken
Hoe goed sluiten de volgende stellingen aan bij de voorstelling?
wielt nëmmen eppes aus
Het was een prettige theaterbelevenis
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling was emotioneel verrijkend
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling stimuleerde belangstelling voor kunst
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling bood mogelijkheden tot discussie
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling stimuleerde fantasie en creativiteit
wielt nëmmen eppes aus
De voorstelling stimuleerde kritisch denken
11. Hoe heb je de praktische organisatie van het bezoek ervaren (ontvangst, begeleiding, timing)?
* noutwendeg
wielt nëmmen eppes aus
12. Hoe vond je de communicatie vanuit het cultuurcentrum voorafgaand aan het bezoek?
* noutwendeg
wielt nëmmen eppes aus
13. Waarom heb je specifiek voor deze voorstelling gekozen?
* noutwendeg
Waarom heb je specifiek voor deze voorstelling gekozen?
14. Wat was het belangrijkste doel van jullie bezoek?
* noutwendeg
Klickt fir d'éischt op dat, wat fir Iech am Wichtegsten ass. Fuert weider, bis Dir op dat, wat am mannste wichteg ass.
?
De leerlingen in contact brengen met een goede voorstelling
close
?
De voorstelling gebruiken om thema’s in de klas aan te kaarten
close
?
De leerlingen in contact brengen met theatercodes
close
?
De leerlingen een moment van ontspanning aanbieden
close
15. In welk vak of tijdens welke les werd de voorstelling besproken of ingekaderd?
* noutwendeg
In welk vak of tijdens welke les werd de voorstelling besproken of ingekaderd?
16. Werden de kinderen/jongeren op de voorstelling voorbereid?
* noutwendeg
wielt nëmmen eppes aus
17. Welk materiaal heb je hiervoor gebruikt?
wielt nëmmen eppes aus
18. Heb je nog andere opmerkingen of suggesties?
Heb je nog andere opmerkingen of suggesties?
19. Mogen we contact met je opnemen als we nog extra vragen hebben?
* noutwendeg
wielt nëmmen eppes aus